Search
Close this search box.
Search
Close this search box.

Tegenwoordig worden we steeds meer geconfronteerd met de opwarming van de aarde als gevolg van de grote uitstoot van broeikasgassen. Er zijn daardoor veel initiatieven in het werk gesteld om de opwarming van de aarde te beperken tot gemiddeld 1,5 graden wereldwijd. De bekendste hiervan is het klimaatakkoord van Parijs. Toch lijkt het er steeds meer op dat de grens van 1,5 graden in de komende jaren doorbroken gaat worden.

Is het daarom nog wel verstandig om te focussen op puur het terugdringen van die anderhalve graad? Of moeten we ook meer gaan kijken om ons voor te bereiden op sterk veranderende weersomstandigheden? En wat kunnen de gevolgen hiervan zijn? Daar kan een historisch perspectief wellicht een uitkomst voor bieden.

Het is namelijk interessant om je te realiseren dat de mensheid niet voor de eerste keer te maken heeft met klimaatverandering. Tussen de veertiende en negentiende eeuw had het noordelijk halfrond op aarde ook te maken flinke veranderingen van het het klimaat. In tegenstelling tot de huidige situatie hadden de mensen destijds juist te maken met een afkoeling van de aarde.

Tussen de veertiende en negentiende eeuw was er een gestage afname van de gemiddelde temperatuur op aarde. Dit zorgde voor zeer koude winters, mislukte oogsten, milde zomers en extreme weersomstandigheden. Deze periode staat ook wel bekend als de ‘Kleine IJstijd’. Tijdens deze periode lag de gemiddelde temperatuur 1 tot 2 graden onder het ‘normale’ gemiddelde tussen 1900 en 1960. Door de lage temperaturen werd het bestaan van onder meer Europese samenlevingen op de proef gesteld.

Het verloop van de Kleine IJstijd

De koudste periode van de Kleine IJstijd was tussen 1560 en 1720 en met name de zeventiende eeuw staat in de boeken als extreem koud. Maar hoe koud was het eigenlijk? Er zijn verslagen gevonden waarin wordt vermeld dat het zo koud was dat de vogels bevroren van de takken en uit de lucht vielen. Ook is er een bron waarin wordt beschreven dat de de Franse koning Hendrik IV (1553-1610) ’s ochtends een keer wakker werd met een bevroren baard. Ook de winterlandschappen van schilders in de Nederlandse Republiek laten zien dat de winters behoorlijk koud konden zijn. In de onderstaande afbeelding is een bekend schilderij te zien uit deze periode die gemaakt is door Hendrick Avercamp in 1667.

Hendrik Avercamp, Winterlandschap met Schaatsers (c. 1608), via Rijksmuseum Amsterdam.

Maar wanneer begon de Kleine IJstijd zich precies? En hoe ontwikkelde de temperatuur zich in de loop der eeuwen? Laten we daarom maar beginnen bij het begin, de dertiende eeuw. Deze eeuw is het startpunt van de Kleine IJstijd. Door een aantal grote vulkanische uitbarstingen, lage zonactiviteit en een lichte verandering in de baan van de aarde om de zon, bereikte minder zonlicht het oppervlakte van het noordelijk halfrond tijdens de zomer.

Door de lagere temperaturen raakte oceaan- en windstromen verstoord. Dit leidde in de veertiende eeuw tot seizoenen met stortregens en periode van extreme droogte, samen met een zakkende gemiddelde temperatuur. Toch zou het nog tot de vijftiende eeuw duren voordat de echte koude fase aan zou breken.

Drie koude periodes

Vanaf de vijftiende eeuw is de koude fase van de Kleine IJstijd op te delen in drie periodes. De eerste hiervan staat binnen de wetenschap ook wel bekend als het Spörer Minimum (1450-1530). De gemiddelde temperatuur tijdens het Spörer Minimum was al een stuk lager, maar de echte koude periode moest nog komen. Want de echte koude periode brak pas aan rond 1560. Tijdens dit decennium daalde de gemiddelde temperatuur met minstens 0,5 graden Celcius onder de normale temperatuur in de twintigste eeuw. Uiteindelijk bereikte de kou een van de dieptepunten in 1628, dat ook wel bekend staat als ‘het jaar zonder zomer’.

Vervolgens brak er een tweede periode van extreme kou aan genaamd de Grindelwald Fluctuatie. Deze dank zijn naam aan een oprukkende gletsjer nabij het Zwitserse dorpje Grindelwald. De Grindelwald Fluctuatie werd veroorzaakt door twee enorme vulkaanuitbarstingen. In 1595 barstte de Nevado del Ruiz uit en pakweg 5 jaar later de Huaynaputina.

Deze laatste uitbarsting was een van de grootste uitbarstingen in de afgelopen 2500 jaar. Door deze uitbarstingen kwam er veel sulfer dioxide in de lucht. Deze deeltjes weerkaatsen zonlicht, en dus warmte, de atmosfeer uit. Hierdoor bereikt minder straling van de zon het oppervlakte van de aarde en warmt de aarde dus minder op.

Toch was er een korte periode van minder kou. Van 1600 tot 1640 waren de winters nog zeer koud, maar er was wel weer een lichte stijging van de de zon-activiteit. Hierdoor waren de weersomstandigheden tot in de jaren 1640 stabieler dan de eeuwen daarvoor.

Na 1645 begon echter weer een zeer koude periode. Dit kwam eveneens door een aantal stevige vulkaanuitbarstingen. Gemiddeld daalde de temperatuur in het noordelijk halfrond met zon 1 graden. Deze derde koude periode wordt ook wel het Maunder Minimum genoemd. Tijdens deze periode was het zo koud in de in winter dat de rivieren en meeren voor weken tot maanden bevroren waren. Hierdoor zwakte de de handel en communicatie tussen gebieden af. Uiteindelijk zou het laatste decennium van de zeventiende eeuw de koudste periode zijn van het Maunder Minimum.

Het Maunder Minimum veranderde na 1720 in een periode van stabiliteit met betrekking tot de seizoenen en de temperatuur. Toch daalde vanaf 1760 de gemiddelde temperatuur weer stevig. Hier waren vulkaanuitbarstingen weer debet aan en ze vormden het startsein van de laatste koude periode tussen 1760 en 1850 genaamd het Dalton Minimum. Tussen 1850 en 1900 werd de Kleine IJstijd doorbroken en stegen de temperaturen. En na 1900 begint eigenlijk de start van de opwarming van de aarde in de crisis zoals we die vandaag de dag kennen.

De invloed van de Kleine IJstijd op de geschiedenis

Tijdens de kleine vonden er een groot aantal veranderingen plaats. Met name tijdens de zeer koude tussen de 15e en 18e eeuw heeft de Kleine IJstijd volgens een aantal historici veel invloed gehad het verloop van de Europese geschiedenis. Het beste voorbeeld hiervan is het werk van Philip Blom Nature’s Mutiny How the Little Ice Age Transformed the West and Shaped the Present. In dit werk belicht Blom vanuit verschillende perspectieven hoe de Kleine IJstijd impact had op de Europese samenlevingen. Hieronder volgen daar een aantal voorbeelden van.

In de eerste plaats zorgde de extreme weersomstandigheden zoals zeer koude en lange winters, milde zomers en droogte voor mislukte oogsten. Met name de graan oogst moest het ontgelden. Zo was er voor een periode van 180 jaar een verminderde graanoogst. Als gevolg waren er in verschillende regio’s om de zoveel tijd hongersnoden. Dit had vanzelfsprekend verstrekkende gevolgen op de samenleving in Europa.

Heksenjachten en opstanden

Daarnaast veranderde de sociale verhoudingen op het Europese continent. Zo was er voor vele honderden jaren een feodaal bestuurssysteem op het platteland. Daar was de adel in bezit van de grond, die werd bewerkt door keuters en boeren. Zij stonden jaarlijks een deel van hun inkomsten af aan de heer.

De lange winters, korte zomers en extreme weersomstandigheden daalde het surplus van de oogst die de boer kon gebruiken om te verkopen of aan zijn heer te geven. Hierdoor stond het feodale stelsel op instorten, want de mensen op het platteland én de adel verarmde. Het gevolg hiervan was behoorlijk wat onrust.

Deze onrust is onder meer terug te zien in de opzienbarende groei in heksenjachten. Want er was destijds een groot besef dat er een verband was tussen de praktijken van heksen, het veranderende klimaat en de mislukte oogsten. Tijdens de koudste jaren van de Kleine IJstijd waren er volgens Blom pieken in het aantal heksenvervolgingen. Deze heksen werden in veel gevallen levend verbrand.

Fundamentele veranderingen in de steden

Ook in de steden veranderde de sociale structuur. In de steden zwaaiden de gilden echter voor lange tijd de scepter. Dit kwam In de eerste plaats doordat er een toenemende migratie was van het platteland naar de stad. Mensen van het platteland probeerden namelijk werk te vinden in de stad om zo de kost te verdienen. Hierdoor steeg de urbanisatie in bepaalde delen van Europa en veranderde de sociale structuur in de steden.

In de tweede plaats nam de activiteit in steden toe omdat ze producten en eten uit andere regio’s moesten inkopen. Met name de steden met een langere traditie van (internationale) handel profiteerde hier goed van. Want als de graanoogst mislukt in de ene regio, dan konden handelaren hierop inspelen door het elders in te kopen en te verschepen naar gebieden waar het nodig was. Hierdoor verdiende sommige steden bakken met geld. Volgens Blom was het beste voorbeeld hiervan de stad Amsterdam.

De steden groeide dus door migratie en door de toenemende handel nam de welvaart in de steden ook toe. Het gevolg hiervan was een nieuwe sociale structuur in de steden met onder meer een nouveaux riche een grotere arbeidersklasse. Volgens Blom waren deze ontwikkelingen het startsein voor de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij.

Ontstaan van wereldhandel en innovaties

De noodzaak om grondstoffen en voeding van andere plekken te halen zorgde voor een opkomst van de internationale handel en ontdekkingsdrift. De handelaren in steden zoals Amsterdam teerde goed op de handel in bijvoorbeeld graan en waren ambitieus om hun horizon te verbreden. Zo werden er compagnieën opgericht die elders producten moesten inkopen voor de Europese markt. Een van de beste voorbeelden hiervan is eveneens in Nederland te vinden: de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

Hendrick Avercamp, Kolfspelers op het ijs (1624), via Rijksmuseum Amsterdam.

Naast de aanzet tot het ontwikkelen van de wereldhandel zette de Kleine IJstijd ook innovaties op gang. Want door het de koude perioden moesten de mensen in vroegmodern Europa zich aanpassen aan de kou. En door de slechtere oogsten moesten boeren efficiënter omgaan met hun land. Zo gingen boeren bijvoorbeeld over op de productie van voedingsmiddelen met meer energie zoals de aardappel en maïs.

Blom maakt zelfs een claim dat de innovatie door de toegenomen kou een factor speelde in het ontstaan en de verdere ontwikkeling van de Wetenschappelijke Revolutie en de Verlichting. Vanuit de perspectieven van de ontwikkeling van wereldhandel en de moderne wetenschap heeft de Kleine IJstijd, vanuit de visie van Blom, dus een fundament gelegd voor onze huidige maatschappij.

Wat het werk van Blom laat zien is dat klimaatverandering tot veel fundamentele veranderingen kan leiden binnen samenlevingen. Het kan zelfs een systeem omgooien dat voor honderden jaren functioneerde. Kunnen wij dit soort gevolgen van klimaatverandering in de huidige tijd zelf wel onder ogen zien? Een studie naar het de impact van klimaatverandering in het verleden kan ieder geval helpen bij het ontwikkelen van een beter begrip.

Geraadpleegde literatuur:

  • Philip Blom. Nature’s Mutiny: How the Little Ice Age Transformed the West and Shaped the Present. London: Picador, 2019.
  • Dagomar Degroot. The Frigid Golden Age: Climate Change, the Little Ice Age, and the Dutch Republic, 1560-1720. Cambridge: Cambridge University Press, 2018.