Search
Close this search box.
Search
Close this search box.

Het denken over natuur is niet altijd hetzelfde geweest zoals wij dat hedendaags kennen. In tegendeel zelfs, want het denken over natuur en de positie van de mens daarin is door de tijd vaker veranderd. Al deze veranderingen hebben uiteindelijk geleid tot ons huidige milieubewustzijn en hoe wij naar de natuur kijken. Maar ondanks dat onderwerpen zoals milieubewustzijn, duurzaamheid en natuur veel aandacht krijgen in de huidige tijd, is er toch relatief weinig algemeen begrip over hoe het denken over natuur zich heeft door de tijd heeft ontwikkeld en hoe mensen vroeger op een duurzame manier leefden.

In dit artikel zal daarom het denken over natuur in in de oudheid besproken worden. Want hoe dachten de mensen in de oudheid, zoals de Grieken en Romeinen, over de natuur? En was er al een soort van duurzaamheid aanwezig binnen hun samenlevingen, ondanks dat zij nog niet bekend waren met dat concept? In dit artikel zullen we dit onderwerp behandelen aan de hand van geschreven teksten door bekende filosofen uit de Oudheid.

Denken over Natuur door de Griekse Filosofen

Al in de oudheid was er een bepaalde kijk op de natuur en de positie van de mens daarin. Zo was er in het oude Griekenland een begrip van een holistische wereld en een soort ‘eenheid’ waarbinnen alles met elkaar verbonden was. Aristoteles, Plato en Pythagoras beschreven de kosmos bijvoorbeeld als een ‘eenheid’ waarbinnen alles als een organische geheel functioneerde. Binnen dit systeem waren planten, bomen, dieren en mensen allemaal een onderdeel van het grotere geheel. Alhoewel Plato dieren wel als ondergeschikten van de mens zag en vond dat de natuur beheerd en geëxploiteerd moest worden door de mens.

Al vroeg werd er in het oude Griekenland een rationeel perspectief opgesteld voor de interactie tussen mens en natuur, zoals het bestuderen en gebruiken van de natuur. De eerste wortels van dit denken zijn terug te herleiden naar de zesde eeuw voor christus. Tijdens deze eeuw hielden twee filosofen, Thales van Miletus (c. 624-548 v.Chr.) en Anaximander (c.611-547 v.Chr.) zich al bezig met een systeem om de natuur te begrijpen. Zij waren ervan overtuigd dat de natuur bestond uit één element dat alles bij elkaar hield. Thales concludeerde dat dit element water was en Anaximander noemde het apeiron, dat het ‘oneindige’ betekende.

Niet veel later schreef een andere filosoof, Heraclitus van Efeze (c. 545-480 v. Chr.), dat ‘wijsheid bestaat uit het spreken van de waarheid, luisteren naar de natuur, en overeenstemming met haar handelen.’ Tijdens deze periode was er een geloof dat iedereen zijn bestaan moest opbouwen uit de middelen die hem in een bepaalde geografische plek waren gegeven. Zodoende was het de taak van de mens om goed voor die plek te zorgen. Want alleen op die manier konden latere generaties ook nog gebruik maken van de natuur. Vanuit dit perspectief valt ook al een soort duurzaamheidsdenken te bespeuren. Het blijkt namelijk het conserveren van de natuur een taak van de mens was zodat deze voor de mens kon blijven ‘werken’.

De relatie tussen mens en natuur

Maar bovenal hebben de Grieken bijgedragen aan een begrip hoe de mens verbonden was aan de natuur door de relatie tussen natuurlijke elementen en menselijke ziekten aan te tonen. De belangrijkste persoon bij deze ontwikkeling was de Griekse dokter Hippocrates (460-370 v.Chr.). In zijn boek Over Luchten, Wateren, en Plekken behandelde hij hoe de natuurlijke elementen en krachten zoals wind, warmte, seizoenen, sterren en water- en grondkwaliteit, invloed konden hebben op het menselijk lichaam.

Zo stelde Hippocrates dat elk type milieu, zoals bergen, moerassen, warm of koud, bepaalde ziekten kon overdragen. Mensen die bijvoorbeeld in een gebied met veel koude winden leefden, hadden vaker last van long- en oogziekten; mensen in gebieden met warme winden hadden veel last van diarree en koortsen, en mensen die bij stilstaand water leefde, hadden veel problemen met de milt. Verder stelde hij vast dat mensen het beste water konden drinken in hogere heuvelachtige gebieden, waar zoet, zacht en transparant water was te vinden. Hiermee legde hij dus een verband tussen de mens en de natuur en stelde dat de natuur de mens kon beïnvloeden. Het omgekeerde moest in dit geval dus ook mogelijk zijn. De mens was kortom een onderdeel van zijn omgeving. Dit was een wetenswaardige stap in het denken over natuur.

Uiteindelijk leidde het denken over natuur door de filosofen tot het elementaire klassensysteem van Aristoteles (384-322 v.Chr.). Hij stelde dat de natuurlijke elementen in vijf verschillende categorieën ingedeeld kon worden. Hiervan konden vier elementen, water, vuur, wind en aarde, gevonden worden op de aarde. Het vijfde element, ether, was daarentegen het element waaruit de hemel uit bestond. Deze zienswijze op de constructie van natuur bleef bestaan tot het begin van de Wetenschappelijke Revolutie (zestiende eeuw).

Ondanks dat deze rationele manier van denken over natuur zijn beperkingen kende, hebben de oude Grieken wel voor het eerst een opvallende stap gezet. Bij het denken over natuur haalden zij namelijk de goden uit hun redenatie, zoals duidelijk is op te merken vanuit het perspectief van Aristoteles. De goden stonden daarmee los van de natuurlijke elementen op aarde. Eerdere gemeenschappen dachten ook al over de natuur en hoe de mens hier een rol ik kon spelen, maar daar was altijd een belangrijke rol weggelegd voor goddelijkheid. Zo kon Moses de zee splijten om te vluchten voor de Farao en kon Noah een de vloed overleven door een boot te bouwen, maar dit gebeurde echter alleen door gratie van God of de goden. Dat was dus niet het geval bij de filosofen in het oude Griekenland.

Hierdoor zou je dus wellicht al kunnen concluderen dat er een soort van milieubewustzijn was ontwikkeld. Het ging namelijk om een goede balans en harmonie tussen mens en natuur, want een beschadigde natuur kon ook de menselijke gezondheid in gevaar brengen. In werkelijkheid kenden ook de Grieken ecologische druk en een slecht beheer van de natuur. Zo heeft de filosoof Plato opmerkingen gemaakt over de toenemende problemen door ontbossing. Hij stelde vast dat door de bodem erodeerde door het verdwijnen van de bomen en daardoor het landschap kaal. Dus in hoeverre de zienswijze van de filosofen doordrong tot het overgrote deel van de samenleving blijft te betwisten.

De Romeinse Kijk op Natuur

De Romeinen dachten op een iets andere manier over de natuur, die fundamenteel in twee kampen kan worden ingedeeld. Aan de ene kant zagen de Romeinen de natuur als iets dat door de goden gegeven was en daardoor had het Romeinse volk had een nauwe band van de natuur. Zo was de jaarlijkse kalender van de Romeinen gevuld met dagen waarop de natuur vereerd en gevierd werd. Daarnaast was er voor elke weg, speciale bomen, een bos of een veld wel een ‘bescherm god’ aangewezen.

Aan de andere kant wisten de Romeinen heel goed hoe de natuur bedwongen en geëxploiteerd kon worden. Zo werd bijvoorbeeld het omleiden van rivieren, aanleggen van wegen en het succesvol cultiveren van voorheen ‘wilde’ gebieden door technologische kennis gezien als een overwinning op de ‘wilde natuur’. Er was bij de Romeinen dus een conflicterende kijk op de natuur.

Dit is ook terug te zien in literaire werken van Romeinse schrijvers over de omgang met de natuur door de Romeinen. De twee stromingen kunnen eveneens in twee categorieën worden ingedeeld: de pessimisten en de optimisten. De pessimisten waren ervan overtuigd dat de omgang met de natuur zou leiden tot de ondergang van het Romeinse volk. Een voorbeeld hiervan is een tekst van de dichter Lucretius (c. 96 – 55 v.Chr.). Hij merkte op dat de Romeinen hun kennis en kunde over de natuur misbruikten en dat ze hun verlangen niet onder controle hadden. Dit betekende dat zij de natuur te veel aan het exploiteren waren. Hierdoor zorgde hun superioriteitsgevoel over de natuur volgens Lucretius voor een versnelde ondergang van de samenleving.

Dit is een visie die later door de vooraanstaande milieuhistoricus, Jared Diamond, gelijksoortig wordt besproken. In zijn boek, Collapse: How Societies Choose to Fail or Succeed bespreekt Diamond hoe samenleving ten onder kunnen gaan door slecht natuurbeleid, onvoldoende de overexploitatie opmerken en vervolgens geen actie ondernemen als ze dat wel doen. Dit is eigenlijk een zelfde soort conclusie die Lucretius pakweg 2000 jaar eerder ook opstelde. Maar door de kleinere bevolkingsomvang en minder vervuiling op grote schaal, waren de effecten niet gelijk zoals vandaag de dag.

De optimisten waren daarentegen overtuigd dat de mens de natuur had bedwongen. Hierdoor waren zij de ontwerper van de natuur en konden ze zelf kiezen hoe ze de natuur moesten ontwikkelen. Dit komt bijvoorbeeld terug in een tekst van Cicero. Hierin stelde hij dat de mens in staat was om rivieren om te leiden, bossen te planten, eten te verbouwen en grondstoffen uit de bergen te delven. Kortom, de mens kon de natuur vormen naar zijn wil. En vanuit dit perspectief moest de mens ook die rol vervullen. De natuur had namelijke een superieure macht nodig die de natuur bestuurde. Daarbij moest de natuur geëxploiteerd worden voor verdere economische ontwikkeling.

Het perspectief van de optimisten zou weinig gewone Romeinse burgers echter hebben bekoren. Zij hadden een afkeer van de schadelijke mijnen, het kappen van bossen en het laten uitsterven van ‘goddelijke planten en natuur’. Toch kwam het zelden voor dat er maatregelen hiertegen werden genomen. Volgens historicus Lukas Thommen hadden economische doelen namelijk altijd de voorrang op het conserveren van de natuur.

Uit de teksten van vooraanstaande Romeinse figuren blijkt verder dat de Romeinen vooral de economische waarde van de natuur inzagen. Alleen op die grond bestond er een soort milieubewustzijn. Want natuurlijke bronnen moesten duurzaam geëxploiteerd worden zodat toekomstige generaties ook konden profiteren.

Denken over natuur bij de Romeinen was dus een gespleten onderwerp. Aan de ene kant was het volk zeer begaan met de natuur. Dit is af te leiden aan verering van de goden die over de natuur waakte. Aan de andere kan was er een duidelijk superioriteitsgevoel en een verlangen om de natuur te exploiteren voor haar grondstoffen. Alleen op de gronden van toekomstig economisch gewin moest de natuur rationeel beheerd en geconserveerd worden.

Geraadpleegde Literatuur:

  • John Aberth, An Environmental History of the Middle Ages: The Crucible of Nature (London: Routledge, 2013).
  • Riia Timonen and Ann Brysbaert. ‘Saving Up for a Rainy Day? Climate Events, Human-Induced Processes and Their Potential Effects on People’s Coping Strategies in the Mycenaean Argive Plain, Greece, p. 243-276 in Climate Change and Ancient Societies in Europe and the Near East: Diversity in Collapse and Resilience, eds. Paul Erdkamp, Joseph G. Manning en Koenraad Verboven. Zwitserland: Palgrave Macmillan, 2021.
  • Thommen, Lukas. An Environmental History of Ancient Greece and Rome. Cambridge: Cambridge University Press, 2012